Opiumwet

Opiumwet

De Opiumwet is ontstaan om de handelsbelangen van verschillende landen waaronder Nederland te beschermen.

Het gebruik van – en de handel in – opium, kent in ons land een 350 jaar lange geschiedenis. Nederland heeft voor een deel zijn rijkdom eraan te danken. In de 17e eeuw kreeg de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) het monopolie op de invoer van opium in Java. De opium werd gekocht in de Bengalen om vervolgens door de VOC geruild te worden tegen specerijen in de Indische Archipel.

Vanaf het begin van de 19e eeuw reguleerde de Nederlandse Staat in Nederlands-Indië de opiumverkoop door een pachtsysteem in te voeren. Particulieren konden voor een aanzienlijk bedrag monopolierechten in een bepaald gebied kopen.

Aan het einde van de 19e eeuw werd de zogenoemde ‘opiumregie’ ingevoerd. De Staat overzag de invoer, bereiding en distributie van opium in Nederlands-Indië om zo de criminaliteit (lees: handel buiten het Nederlandse monopolie om) de kop in te kunnen drukken.

Diverse Europese landen hadden grote inkomsten uit drugs, Nederland dus in het bijzonder. Met name de Verenigde Staten wilden aan het begin van de 20e eeuw restricties op de handel in ‘drugs’. In 1912 kwam het in Den Haag tot een internationale conferentie waarin diverse landen, waaronder Nederland, het Internationale Opiumverdrag opstelden. In Nederland leidde dit tot de Opiumwet die in 1919 in werking trad.

De Opiumwet van 1919

De eerste Opiumwet van 1919 diende om de “illegale” handel in opium tegen te gaan, aangezien het opiummonopolie (opiumregie) in handen van Nederland was. Het ging in die Opiumwet alleen om opium en cocaine, noch werd het bezit van deze of andere stoffen anders dan voor handelsdoeleinden, strafbaar gesteld. Het ging immers om economische ‘delicten’. De verdragen en de Opiumwetten maakten ook zeker geen einde aan de staatshandel in opium in de Nederlands Indische koloniën. Tussen 1904 en 1940 bedroeg de winst op de opiumregie 456 miljoen gulden. Pas in 1942 maakten de Japanners een einde aan de koloniale overheersing en daarmee ook aan de Nederlandse opiumhandel in de Indische archipel.

De Opiumwet van 1928

De Opiumwet van 1928, die op 12 mei 1929 in werking trad en die van 1919 verving, kwam voort uit de noodzaak om de (economische) bepalingen betreffende opium en andere verdovende middelen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 19 februari 1925 te Genève tussen Nederland en andere staten gesloten internationale opiumverdrag.

In de tweede Opiumwet van 1928 werd op instigatie van vooral Egypte hasj aan de lijst toegevoegd  (het recreatieve gebruik van cannabis was in Nederland in die tijd niet eens bekend), maar werd bovendien niet alleen de (niet-door de staat gereguleerde, dus illegale) handel, maar nu ook het bezit en gebruik (feitelijk een inbreuk op het eigendomsrecht) ervan strafbaar gesteld. Hierdoor werd dus de bezitter en/of gebruiker van deze plantaardige stoffen strafbaar en was het plotseling een heel andere Opiumwet dan die van 1919.

Amerika (de USA), hoewel geen lid van de Volkenbond, steunde de toevoeging van hasj/marihuana met dezelfde Egyptische krankzinnigheidsclaim (zie onder). Marihuana was nooit een probleem in Amerika geweest, tot het plotseling aan het begin van de 20e eeuw gelinkt werd met illegale Mexicaanse immigranten en de aanname, dat marihuana tot waanzin en agressie zou leiden bij criminelen uit die groep. Het van enig probleem onwetende Amerikaanse publiek werd plotseling overdonderd met een hetze tegen “The Killer Weed”, dat was overigens tijdens de drooglegging en officieel was men bang dat mensen in marihuana een vervanger voor alcohol zouden vinden. Andere bronnen claimen echter, dat de hetze tegen marihuana bedoeld om de hennepindustrie de nek om te draaien, een campagne opgezet vanuit de nieuw-ontstane kunststoffenindustrie.

Met India en Zuid-Afrika, die de toevoeging aan de lijst steunden, was er iets vergelijkbaars aan de hand: het gebruik werd ook gelinkt aan mensen uit lagere sociale klassen. In India, waar het engelse regime heerste waren het veelal de armen en religieuze en militante verzetsgroeperingen die hasj gebruikten en in Zuid-Afrika was het natuurlijk de zwarte bevolking die marihuana rookte onder het apartheidsbewind. Tja, hasj/marihuana als de toeverlaat voor de armen en verdrukten, dat is het feitelijk. En de verdrukkers vinden dat niet juist.

De claim van Egypte om hasj op de lijst te krijgen en het bezit ervan te verbieden was, dat hasj krankzinnigheid zou veroorzaken. Het bewijs dat ze daarvoor aandroegen was, dat er drie keer zoveel mannen in gestichten zouden zitten dan vrouwen en hasj voornamelijk door mannen gerookt werd. Quod Erat Demonstrandum.

Wat was feitelijk het geval in Egypte?

In Egypte (en andere islamitisch overheerste landen) probeerden lokale (islamitische) ambtenaren en buitenlandse heersers, het gebruik van hasj al eeuwen te onderdrukken. Waarom? Wel: hasj is de armeluis alcohol (alcohol zelf is in Islamitische landen namelijk schaars en dus duur en werd daarom vrijwel alleen gedronken door de gegoede klasse) en wordt door de Islam al 800 jaar officieel afgekeurd.

Cannabis was/is namelijk sterk verbonden met religieuze afwijking van de Sunnitische danwel sjiïtische Islam, zoals het zich manifesteerde o.a. bij de Sufi’s, de derwisjen en de fakirs. De laatste twee woorden zijn in het arabisch synoniem met “arme” en veel religieuzen keerden zich (onder invloed van de effecten van hasj?) af van de officiële (sunnitische of Sjiitische) orthodoxie en legden een gelofte van armoede af. Hasj werd in die kringen veelvuldig gebruikt. Het ging gepaard met religieuze inzichten en bevorderde persoonlijke extase en minachting voor materiële bezittingen en valse religieuze autoriteit. Dat kunnen imams en andere religieuze leiders natuurlijk niet hebben. Stel je voor, dat iemand zelf met god of Gabriël zou gaan praten! Autoriteiten zagen hasjgebruikers voornamelijk als lastpakken. Hier nu was plotseling de kans om een aantal potentiële onruststokers onschadelijk te maken en religieuze dissidenten krankzinnig te verklaren.

En zo kregen we in Nederland te maken met het verbod op een landbouwgewas waar we nooit problemen hadden gehad, maar integendeel ook weer een groot deel van onze rijkdom aan te danken hadden, in de vorm van de zeil, touw- en stoffenfabricage, waarzonder de scheepvaart in NL niet eens denkbaar zou zijn geweest.

Zo zien we dat alle ellende in het Westen die uit de bestrijding van met name hasj/marihuana voortgekomen is, ontstaan is door implementatie van een toevoeging uit een islamitisch systeem, om de islamitische autoriteiten tegemoet te komen.

Ten eerste was de toevoeging van deze stof volkomen willekeurig en niet wetenschappelijk onderbouwd en ten tweede is de bepaling dat ook het bezit van die stof strafbaar gesteld werd in strijd met het liberale eigendomsrecht.

Ik ben van mening dat de Opiumwet in huidige vorm naar de vuilnishoop moet en dat iedere stof daarin op eigen merites bekeken en behandeld moet worden, om te beginnen vanuit medische hoek.

Met de Opiumwet van 1928 stond de deur open voor de toevoeging van willekeurige welke stof die niet in de smaak van een regering of de autoriteiten valt. Op dit moment kan een minister zonder wie dan ook te raadplegen een stof (denk aan: mediwietolie) aan de lijst toevoegen en daarmee willekeurige mensen buiten de Opiumwet stellen.

(Bron: D. G. Neree)